Nomade heeft op dit moment 465 actieve leden
U bent niet ingelogd

Geschiedenis deel 2


Op de Internationale Automobieltentoonstelling in Frankfurt van 1957 stonden de Tempo Matador, Wiking en de Rapid. De Wiking had nog het Heinkel motor-blok, maar de Matador en de Rapid hadden de Austinblokken A 50, resp. A 35.
De drie wagens hadden allen dezelfde carrosserie, dit was om de kosten te drukken om de concurrentie voor te blijven, want dezen stonden ook niet stil.
Renault bracht b.v. de Estafette op de markt. Maar tempo bleef niet werkeloos toekijken en bracht een personenbusje op basis van de Rapid de markt met een Austin a 35 motor.

Deze wagen toentertijd gezien als een van de mooiste personenbusjes van de toenmalige markt. (Volkswagen bouwde later de "Samba")
De typen Wiking, Rapid en Matador werden tot 1963 praktisch ongewijzigd gebouwd. Prototypen kwamen er niet meer. Tempo gebruikte het geld liever voor het uitbreiden en verbeteren van de fabrieken.

Ondanks het feit dat Oscar Vidal het voor het zeggen had, werd de druk van Rheinstahl-Hanomag AG steeds groter, wat resulteerde dat in februari 1965 ook de resterende aandelen overgingen in handen van Rheinstahl-Hanomag AG.
In het voorjaar van 1962 kreeg men hele andere problemen, namelijk de Noordzeekust en Harburg kregen een vloedgolf. Deze vloedgolf was de zwaarste sinds 1825 en het water steeg tot 5.73 mtr. Boven normaal. De dijken konden de druk van deze enorme hoeveelheid water niet aan en braken, met het gevolg dat 60 plaatsen onder water liepen, waaronder de Tempofabrieken. 75% van de terreinen en fabrieken liepen onder water.

Toen het water zakte bleek pas hoe groot de schade was! Een dikke laag slijk bedekte de terreinen, maar ook de fabrieken met de machines die daardoor grote schade opliepen. Ook 350 voer-tuigen waren rijp voor de sloop. Een productieverlies van 3 weken.

Men had voor het eind van 1962 een modernisering op het programma staan, maar door de catastrofe werd dit met een half jaar vervroegd. Het duurde tot 1963 voor de nieuwe typen op de markt gebracht konden worden. Weer bouwde men een eenheidstype genaamd Matador E.

Weer dezelfde voertuigen maar in verschillende varianten betreffende het laadvermogen. Het chassis was wel geheel gewijzigd, niet meer het V-vormige chassis, maar nu werd gekozen voor het parallel chassis. (onze wagens zijn daar mee uitgerust). Door dit nieuwe chassis kon men een wagen op maat laten bouwen, men bouwde b.v. een wagen voor zware materialen. De bak kon men laten zakken tot op de grond, waardoor de bak geladen kon worden. Was men daar mee klaar dan kon men de bak pneumatisch omhoog laten komen.

FOTO

Een andere speciale uitvoering was de Tempo Athlet. Deze had een platform wat dienst deed op vliegvelden om vliegtuigen te bevoorraden. Voor hadden de wagens de bekende (beruchte) torsievering. Ook achter bouwde men torsievering en de wagen kreeg een Austin A 60 motor. Deze Matador showde men voor het eerst op de Autotentoonstelling in Frankfurt in 1963.

Men kreeg het verzoek om deze wagens uit te voeren met een dieselmotor. Aan dat verzoek werd voldaan en drie uitvoeringen werden uitgevoerd met een Hanomag D 301 E2 motor. In 1966 verdween het bekende Tempo embleem van het front van de wagens en maakte plaats voor het Rheinstahl-Hanomag embleem. In het voorjaar van 1967 werd het type Matador afgelost door nieuwe modellen. De naam Matador en het type E verdwenen van het front.

De naam Hanomag en als typeaanduiding de F, (F20,F25,F30 en F35), kwamen er voor terug. Als krachtbron gebruikte men de Austin A 60 motor voor de benzine-uitvoeringen en de Hanomag D 301 E2 motor voor de dieseluitvoeringen. Rheinstahl had intussen ook de firma Henschel overgenomen en vanaf 1969 voerden de wagens de naam Hanomag-Henschel. De jaarproductie bedroeg in 1969 ca. 25.000 eenheden. Per dag was dat ongeveer 110 voertuigen.

Op 1 januari 1971 volgde de volledige overname van Hanomag Henschel Fahrzeugwerke GmbM van Rheinstahl door Daimler Benz AG. De wagens met een benzinemotor behielden de typeaanduiding F20,F25,F30 en F35. De dieselwagens kregen een Mercedes dieselmotor van het type OM 615/619, en in dat geval kregen zij ook een Mercedes ster op de grill. In 1973 een starre achteras met bladveren gemonteerd en de benzine uitvoering kreeg een sterkere A70 Austinmotor, maar de rest van wagens bleef ongewijzigd. De wagens die onder de naam Hanomag henschel bleven de "F" voeren, terwijl Mercedes de nieuwe benaming gaf als L206, l207, L306 en 307 met een D erachter als het een dieseluitvoering was. Het voormalig " Tempo Werke " is vandaag de dag nog steeds een onderdeel van Daimler Benz AG, maar alleen het spoorwegstation en enkele straatnamen in Harburg herinneren nog aan het Tempo tijdperk.

In 1978 stopte men met het persen van plaatwerk en alle persen gingen naar India waar men nog steeds de driewielige voertuigen maakte. Hier kregen de wagens weer de naam Matador, welke nog steeds gemaakt worden, al is het tegenwoordig als achterwiel aandrijving. In de huidige Mercedes fabriek is door de voormalige arbeiders een museum ingericht waar zij nog Tempo wagens restaureren.
In 1999 stierf Oscar Vidal. Zijn zoon Edmund die in 1965 tot de firma was toegetreden volgde hem op. De firma Vidal & Zn. Hield zich voornamelijk bezig bij Mercedes Benz met het complete transport programma tot 7,5 ton in de meest verschillende uitvoeringen van bakwagens, bestelwagens en campers, zoals men bij Vidal & Zn. zo gewoon was……

Bron: Het Busjesgebeuren 9 van april 1999.